Een klein vliegtuig is weg. Het vliegt van Ber-muda naar Bos-ton. Dit is op zater-dag. Er zijn 6 men-sen aan boord. Dat zijn 4 me-de-wer-kers en 2 gas-ten.
Het vliegtuig is van een be-drijf uit Ca-na-da. Het be-drijf doet zie-ken-ver-voer. Kort voor de vlucht stopt er een nood-roep. Het vliegtuig daalt heel snel. Dan valt de ver-bin-ding weg.
De kust-wacht zoekt naar het vliegtuig. Zij ge-bruiken sche-pen en vliegtuigen. De zoek-tocht is bij het ei-land Nan-tucket. Tot nu toe vin-den zij niets.