De forse stijging van de brandstofprijzen heeft in Duitsland en Oostenrijk een politiek debat over verlichting en markttoezicht veroorzaakt. In Duitsland pleitte de CDU-secretaris-generaal Carsten Linnemann voor een stapsgewijze verlaging van de 'Energiesteuer' zodra de benzineprijs de grens van 1,80 euro per liter overschrijdt. Hiermee zou voorkomen moeten worden dat mobiliteit onbetaalbaar wordt voor forenzen en mensen met een laag inkomen. Ook SPD-secretaris-generaal Kevin Kühnert uitte scherpe kritiek op de 'Mineral")lkonzerne' en beschuldigde hen ervan de huidige marktsituatie uit te buiten voor te hoge 'Margen'.
In Oostenrijk heeft minister van Economie Martin Kocher een officieel onderzoek naar de recente prijsstijgingen gestart. Hij gaf de Bondsmededingingsautoriteit (BWB) de opdracht om de prijsstelling bij de tankstations nauwkeurig te onderzoeken. De achtergrond hiervan is het vermoeden dat prijsverhogingen bij ruwe olie disproportioneel snel worden doorberekend aan de consumenten, terwijl prijsverlagingen slechts vertraagd aankomen. De economische gedeputeerde van Opper-Oostenrijk, Wolfgang Hattmannsdorfer, steunde deze stap en benadrukte dat in tijden van hoge 'Inflation' elke vorm van ongerechtvaardigde prijsopdrijving voorkomen moet worden. De olieconcerns wijzen de beschuldigingen van de hand en verwijzen naar de volatiele wereldmarktprijzen en logistieke uitdagingen.